Studiemateriaal


×
1055 Spurius Lucretius kwam met Publius Valerius, zoon van Volesus, Collatinus met Lucius Iunius Brutus,
met wie [hij] toevallig naar Rome terugkeerde (terugkerend), [toen] hij door de boodschapper van zijn vrouw was aangetroffen.
Zij vonden Lucretia terwijl zij bedroefd in haar slaapkamer zat. Bij de komst van haar verwanten welden haar tranen op
en tegen haar man die vroeg: 'Alles goed?', zei ze: 'Allerminst; want hoe kan het goed zijn met (wat is er [aan] goeds voor)
een vrouw na verlies van haar kuisheid? De sporen van een vreemde man, Collatinus, zijn in jouw bed;
1060 maar slechts mijn lichaam is geschonden, mijn geest onschuldig; de dood zal [mijn] getuige zijn. Maar
geef jullie (rechter)handen [erop] en je woord van trouw dat het niet ongestraft zal zijn voor de echtbreker. Het is Sextus Tarquinius die
als vijand in plaats van gast de afgelopen (vorige) nacht met geweld een genoegen, dodelijk voor mij en voor hemzelf – als jullie [tenminste] mannen zijn –
vanhier heeft meegenomen.' Allen gaven een voor een hun woord; zij probeerden
[haar] die bedroefd was in haar hart te troosten door de schuld af te wentelen van haar die gedwongen was op de dader van het misdrijf: de geest
1065 zondigt [zeiden ze], niet het lichaam en waar geen opzet is geweest (vanwaar de opzet afwezig is geweest), is geen schuld. 'Jullie', zei ze,
'moeten maar zien wat hij verdient (hem verschuldigd is): ik, ook al spreek ik mij vrij van zonde,
onttrek (bevrijd) mij niet aan (van) de straf; en niet één onkuise vrouw zal hierna door het voorbeeld van Lucretia leven.' Een mes dat
zij onder haar kleding verborgen hield, dat stak zij in haar hart en voorover zakkend in haar wond
viel zij stervend neer. Haar man schreeuwde het uit en haar vader.

Reacties