Studiemateriaal


×
Toen de vijanden aanwezig waren, trok ieder voor zich van het land (de akkers) naar de stad; de stad
260 zelf omringden ze met garnizoenen (versterkte plekken). Sommige plaatsen schenen veilig door muren, andere doordat de Tiber een barrière vormde:
de paalbrug gaf bijna een doortocht aan de vijanden, [en zou die ook werkelijk gegeven hebben] als één man er niet was geweest, Horatius Cocles;
hem had het lot (de fortuin) van de stad Rome die dag als bescherming. Toen hij, toevallig
op wacht geplaatst op de brug (in een wachtpost van de brug), had gezien dat de Janiculus door een plotselinge (onverhoedse) aanval was ingenomen en
dat de vijanden vandaar in snelle vaart naar beneden renden en dat de groep van de zijnen in paniek hun wapenen en
265 hun gelederen verliet, verzekerde hij met klem, terwijl hij hen een voor een tegenhield (trachtte tegen te houden) [en] in de weg ging staan en de trouw van goden
en mensen als getuige aanriep, dat zij, als ze hun garnizoen verlaten hadden, tevergeefs vluchtten; als
ze de brug, na die te zijn overgetrokken, achter zich gelaten hadden (zouden hebben), dan zouden er spoedig meer vijanden op de Palatijn en
het Capitool zijn dan op de Janiculus. Dus spoorde hij hen aan [en] beval hun om de brug
met ijzeren gereedschap, met vuur, met wat voor geweld ze maar konden, af te breken: dat hij de aanval
270 van de vijanden, 270 voor zover er met één lichaam weerstand kon worden geboden, op zou vangen.

Reacties