×
O beklagenswaardigen, wier gehemelte niet, tenzij door kostbare spijzen,
geprikkeld wordt! Kostbaar maakt (deze spijzen) echter niet een uitstekende smaak of een of andere zoetheid/aangenaamheid
voor de keel maar de zeldzaamheid en de moeilijkheid van het klaarmaken. In het andere geval, als het hen
30 zou behagen/ zij zouden willen terug (te) keren naar een gezonde geest, waarom zijn (dan) zoveel (kunst)middelen nodig,
die de maag dienen? Waarom (zijn) handelswaren (nodig)? Waarom de vernietiging van bossen? Waarom
het doorzoeken van de diepte (van de zee)? Overal liggen voedingsmiddelen, die de natuur
op alle plaatsen verspreid heeft neergelegd; maar aan deze zaken gaan zij als blinden voorbij en
zwerven zij door alle streken, stkene zeeën over en, hoewel zij de honger voor een kleine (prijs)
35 kunnen stillen, wekken zij hem (de honger) op voor een hoge prijs.
Ik zou willen zeggen/vragen: "waarom laten jullie schepen uitvaren? Waarom bewapenen jullie je handen
zowel tegen wilde dieren als tegen mensen? Waarom rennen jullie met zo groot lawaai alle kanten uit?
Waarom stapelen jullie rijkdommen op rijkdommen? Willen jullie niet overdenken hoe kleine
lichamen jullie hebben? Het is toch (zeker) waanzin en de grootste dwaling van de geest,
40 veel te begeren, hoewel je (maar) zo weinig kan bevatten? Ook al vermeerderen jullie dus jullie vermopgens,
(ook al) breiden jullie de grenzen uit, toch zullen jullie nooit jullie lichamen groter maken. Hoewel de handel goed is gegaan,
de krijgstocht veel heeft opgebracht, hoewel/wanneer de van alle kanten opgespoorde spijzen (bij jullie) zijn samengekomen,
zullen jullie geen (ruimte) hebben om daar die voorraden van jullie op te bergen.
45 Waarom zoeken jullie zovele dingen bijeen? Natuurlijk omdat onze voorouders, wier deugd
ook nu nog onze fouten ondesteunt, ongelukkig waren, die voor zich(zelf) met eigen hand
voedsel klaarmaakten, voor wie de grond de legerstede/het bed was, wier huizen/daken nog niet
straalden van goud, wier tempels nog niet niet van edelstenen schitterden; dus werd er toen
vroom/eerbiedig gezworen bij goden van terracotta: zij die hen hadden aangeroepen, gingen terug naar de vijand
50 (van plan) om te sterven, opdat zij hun niet zouden breken.
Natuurlijk leefde die dictator van ons minder gelukkig, die de gezanten van de Samnieten
aanhoorde toen hij het zeer goedkope voedsel op de haard zelf met eigen hand omkeerde/roerde -- die (hand)
waarmee hij al dikwijls een vijand had doorboord en een laurierkrans op de schoot van Iuppiter Capitolinus
had gelegd -- (minder gelukkig) dan Apicius in onze tijd/herinnering leefde, die in deze stad
55 waaruit eens de filosofen als (waren zij) als bedervers van de jeugd bevolen zijn weg te gaan,
terwijl hij de wetenschap van de keuken onderwees met zjn leer zijn tijdperk/eeuw bedorven/aangestoken heeft.
Zijn einde te kennen is de moeie waard.

Reacties