Studiemateriaal


×
675 'Was dat het, zus? Wendde jij je tot mij met bedrog?
Dit [bereidde] voor mij die brandstapel, dit bereidden het vuur en het altaar voor?
Wat als eerste moet ik, verlatene, bejammeren? Heb jij je zus als metgezel
versmaad toen je stierf (in je dood)? Had je mij maar tot hetzelfde lot geroepen,
had hetzelfde verdriet en hetzelfde uur ons beiden maar met het zwaard weggenomen.
680 Heb ik zelfs met deze handen [de brandstapel] opgericht en met mijn stem de
voorvaderlijke goden aangeroepen, om, wrede, afwezig te zijn terwijl jij [hier] zo lag?
Je hebt jezelf vernietigd en mij, zus, en het volk
en de Sidonische vaderen en je (eigen) stad. Sta toe dat ik met water je wonden
was en dat ik, als er nog een laatste ademtocht over [is en] naar buiten zweeft,
685 die opvang met mijn mond.' Zo sprekend had ze de hoge treden beklommen,
en terwijl ze haar halfdode zus omarmde, koesterde ze haar aan haar borst
met gezucht en ze droogde het donkere bloed af met haar kleren.
Zij, pogend haar zware ogen eveneens op te slaan,
had er de kracht niet [meer] voor; vastgehecht onder in haar borst schrijnde de wond.
690 Driemaal zich opheffend en steunend op haar elleboog richtte ze zich op,
driemaal viel ze terug op het bed en met haar dwalende ogen zocht ze
aan de hoge hemel het licht en toen ze het vond slaakte ze een zucht.

Reacties