Studiemateriaal


×
Zodra de razernij geweken was en haar razende mond tot rust was gekomen,
begon de held Aeneas [zo te spreken]: 'Geen enkel beeld van inspanningen,
o maagd, doemt nieuw of onverwacht voor mij op;
105 alles heb ik van tevoren overwogen en in mijn geest bij mezelf overdacht.
Om één ding smeek ik: aangezien, naar men zegt, hier de poort is van de koning van de onderwereld
en het donkere moeras waar de Acheron overstroomt,
moge het [mij] zijn toegestaan te gaan naar de aanblik en het gelaat van mijn dierbare vader;
wil mij de weg wijzen en de heilige deuren openen.
110 Hem heb ik op deze schouders weggerukt door de vlammen en duizend pijlen die ons achtervolgden
en midden uit de vijand gered;
hij, mijn tocht vergezellend, verdroeg (doorstond) met mij alle zeeën
en alle dreigingen van de zee en de hemel,
zwak als hij was, voorbij zijn krachten en het lot van zijn ouderdom.
115 En zeker, ook gaf hij [mij] smekend de opdracht mij als smekeling tot u te wenden
en naar uw drempel te gaan.
Goedgunstige vrouw, ik smeek u, (want u kunt alles en niet
voor niets stelde Hecate u aan het hoofd van de Avernische wouden), heb medelijden met vader en zoon,
als Orpheus de schim van zijn echtgenote kon oproepen,
120 vertrouwend op de Thracische lier en de welluidende snaren,
als Pollux zijn broer met afwisselende (beurtelingse) dood vrijkocht
en zo vaak de weg gaat en teruggaat. Waarom moet ik Theseus,
waarom de grote Hercules noemen? Ook mijn afstamming is van de hoogste Jupiter.'

Reacties