Studiemateriaal


×
En zeker spoorde Aeneas bij deze werken als eerste
zijn makkers aan en hanteerde hetzelfde gereedschap.
185 En deze dingen overdacht hij zelf met zijn bedroefde hart,
kijkend naar het immense woud, en juist op dat moment bad hij als volgt:
'Als zich nu aan ons in een boom die gouden tak
zou vertonen in dit enorme bos! Alles immers heeft, ach, maar al te zeer naar waarheid,
de zieneres over jou, Misenus, gezegd.'
190 Nauwelijks had hij deze dingen gezegd, toen juist twee duiven
pal onder de ogen (het gezicht) van de man uit de hemel kwamen vliegen
en neerstreken op de groene grond. Toen herkende de zeer grote held
de vogels van zijn moeder en bad blij:
'Wees gidsen, o, als er enige weg is, en
195 richt onze tocht door de lucht naar de bossen waar een kostbare tak
de vruchtbare grond overschaduwt. En u, o, laat deze hachelijke zaken niet in de steek (of: laat in deze nood niet in de steek),
goddelijke moeder.' Na zo gesproken te hebben liep hij bedachtzaam voort (drukte hij zijn voetstappen),
in het oog houdend welke tekens zij gaven, waarheen ze voortgingen op hun vlucht.
Al etend gingen zij vliegend zover voort
200 als de ogen van hen die volgden hen konden zien met hun blik.
Toen zij vervolgens bij de nauwe toegang van de zwaar stinkende Avernus kwamen,
stegen zij snel op en glijdend door de heldere lucht
streken zij neer op de gewenste plek op een tweelingboom,
vanwaar een afwijkend gekleurde glans van goud door de takken straalde.
205 Zoals in de bossen in de winterkou de maretak
groen pleegt te zijn met nieuw loof, dat niet de eigen boom laat ontspringen,
en de ronde stammen [pleegt] te omgeven met saffraangele bessen,
zo was de aanblik van het gouden loof in de donkere
eik, zo ritselden de metalen blaadjes in de zachte wind.
210 Meteen greep Aeneas de aarzelende [tak] en brak hem begerig af,
en bracht hem naar het huis van de zieneres de Sibylle.

Reacties