Studiemateriaal


×
295 Hiervandaan [is] een weg, die leidt (brengt) naar de wateren van de Acheron in (van) de onderwereld.
Hier kolkt een maalstroom troebel door drek en woeste draaikolk
en braakt al het zand uit in de Cocytus.
Een huiveringwekkende veerman bewaakt deze wateren en rivieren,
de verschrikkelijk smerige Charon (van een verschrikkelijke smerigheid), rond wiens kin een enorme bos onverzorgd grijs haar groeit,
300 wiens onbeweeglijke ogen vuur spuwen (… onbeweeglijk staan door vuur),
wiens smerige mantel in een knoop van zijn schouders naar beneden hangt.
Hij duwt zelf de boot met een vaarboom en rust hem uit met zeilen
en met zijn roestkleurige boot voert hij de lichamen aan,
[hij is] al [wat] ouder, maar de god heeft (voor de god is) een krasse en energieke ouderdom.
305 Hierheen stroomde wijd en zijd een hele menigte naar de oever,
moeders en mannen en de gestorven lichamen
van edele helden, jongens en ongetrouwde meisjes,
jonge mensen die voor de ogen (gezichten) van hun ouders op de brandstapel waren gelegd:
even veel als [er] in de bossen door de eerste herfstkoude
310 bladeren losgeraakt (uitgegleden) vallen of even veel als [er] vogels landwaarts samendrommen vanuit hoge zee,
wanneer het koude jaargetijde hen
over zee doet vluchten en naar zonnige oorden stuurt.
Zij stonden smekend om als eersten de oversteek te maken
en zij strekten hun handen uit in hun verlangen naar de oever aan de overkant.
315 Maar de norse schipper ontvangt nu eens dezen dan weer die,
anderen daarentegen houdt hij ver verwijderd op een afstand van de zanderige oever.
Aeneas inderdaad verwonderd en onder de indruk van het tumult
zegt: 'Vrouwe, vertel, wat betekent (wil) [die] oploop bij de rivier?
Wat willen de zielen? Of op grond van welk onderscheid verlaten
320 dezen de oevers, varen die met roeiriemen over het grauwe water?
Tot hem heeft de hoogbejaarde priesteres als volgt kort gesproken:
'Afstammeling van Anchises, absolute nakomeling van de goden,
u ziet hier de diepe poelen van de Cocytus en het moeras van de Styx,
bij wiens goddelijke macht de goden vrezen een eed af te leggen en die (goddelijke macht) zij vrezen te bedriegen.
325 Deze hele menigte, die je ziet is machteloos en onbegraven;
hij daar is de veerman Charon; dezen die het water vervoert zijn begraven.
Niet wordt het [Charon] verleend [hen] over de huiveringwekkende oevers over te brengen en over de rauw weerklinkende stromen
voordat hun gebeente in een rustplaats tot rust is gekomen.
Honderd jaren dwalen zij rond en fladderen rond deze kusten;
330 dan pas toegelaten bezoeken zij de vurig gewenste poelen weer.'
De zoon van Anchises hield halt en bleef staan
terwijl hij vele dingen overwoog en in zijn hart medelijden had met hun onrechtvaardige lot.
Daar ziet hij in hun verdriet (verdrietig) en zonder de laatste eer (de eer van de dood missend)
Leucaspis en de aanvoerder van het Lycische schip Orontes,
335 die, nadat zij tegelijk vanuit Troje waren gevaren over de stormachtige zeeën,
de Auster heeft overspoeld, én hun schip én hun mannen in het water onderdompelend.

Reacties