Studiemateriaal


×
635 Aeneas bereikte de ingang en besprenkelde zijn lichaam met fris
water en maakte de tak vast aan de voorkant van de deur (die naar hem was toegekeerd).
Pas nadat dit was volbracht, nadat het geschenk voor de godin was voltooid,
kwamen zij terecht in de vreugdevolle plaatsen en in het lieflijk groen
van de gezegende bossen en de woonplaatsen van de gelukzaligen (de gelukzalige woonplaatsen).
640 Hier bedekt een ether guller / rijkelijker en met stralend licht de velden,
en zij kennen hun eigen zon, hun eigen sterren.
Een deel oefent zijn ledematen in de met gras bedekte worstelplaatsen,
zij wedijveren in het spel en worstelen in het bruingele zand;
een deel stampt met zijn voeten reidansen en zingt liederen.
645 En ook de Thracische priester met zijn lang gewaad
begeleidt het ritme [van zang en dans] op de zeven verschillende snaren,
en nu eens slaat hij deze (dezelfde) aan met zijn vingers, dan weer met zijn ivoren plectrum.
Hier is het oude geslacht van Teucer, zijn zeer voortreffelijke nakomelingen,
edele helden geboren in betere tijden (jaren),
650 zowel Ilus als Assaracus en Dardanus de stichter van Troje.
Hij verwondert zich over de wapens iets verderop en de lege wagens van de mannen;
hun lansen staan vastgezet in de aarde en wijd en zijd
grazen los in het veld de paarden. De vreugde die zij
tijdens hun leven beleefden (voor de levenden was) aan de wagens en de wapens, de zorg die zij besteedden aan
655 het weiden van hun glanzende paarden, diezelfde [vreugde en zorg] volgt hen nu ze zijn neergelegd in de aarde.
Kijk hij zag anderen rechts en links verspreid in het gras
uitgebreid eten en in koor een vrolijke hymne zingen
te midden van een bos geurig door laurieren, vanwaar de stroom
van de Eridanus van bovenaf in zijn volle omvang door het bos kronkelt.
660 Hier een groep [mannen / helden] die wonden hebben opgelopen door te vechten vanwege hun vaderland,
en [zij] die reine priesters [waren], zolang als zij leefden (hun leven standhield),
en [zij] die vrome zieners [waren] en Phoebus waardige woorden spraken,
of [zij] die door middel van de vaardigheden die zij hadden uitgevonden het leven hebben veredeld
en zij die hebben gemaakt dat door hun verdienste enige mensen zich hen herinneren:
665 voor al dezen werden de slapen omringd met een sneeuwwitte band.
Dezen die zich rondom hen hadden verdrongen sprak de Sibylle zo toe,
Musaeus voor allen (want hij stond middenin een zeer dichte menigte <hem had een zeer dichte menigte in zijn midden>
en deze keek naar hem op terwijl hij boven hen uitstak met zijn hoge schouders):
'Zeg [ons], gelukkige zielen en u voortreffelijke zanger,
670 in welk gebied, in welke plaats bevindt zich Anchises? Ter wille van hem
zijn wij gekomen en over de grote stromen van de onderwereld gevaren.'
En haar gaf zo de held in weinig [woorden] het antwoord:
'Niemand heeft (Voor geen is) een vaste verblijfplaats; wij wonen in schaduwrijke bossen,
wij bewonen de kussens van de oevers en de weiden fris door beken.
675 Maar als dat (zo) uw hartenwens is,
moet u deze heuvelrug overgaan en ik zal u spoedig op een makkelijk pad brengen.'
Zo sprak hij en hij ging vooruit en toonde van bovenaf de glanzende velden;
vervolgens verlieten zij de hoogste toppen.

Reacties