Studiemateriaal


×
En toen zag (en nu ziet) Aeneas in een afgelegen dal
een afgezonderd woud met (en) ruisend struikgewas van de struiken,
705 en de stroom van de rivier de Lethe die voorbij stroomt aan de vredige verblijfplaatsen.
Rondom deze vlogen ontelbare stammen en volkeren:
zoals wanneer in de weiden op een onbewolkte zomerdag (in een onbewolkte zomer) de bijen
zich zetten op de bonte bloemen en zich rond de blanke
lelies verspreiden, het hele veld weerklinkt van hun gezoem.
710 Aeneas huiverde bij de plotselinge aanblik en onwetend vroeg hij naar de redenen
en welke die rivier was in de verte,
welke mannen in/met zo’n grote schare de oevers vulden.
Toen sprak vader Anchises: 'De zielen, voor wie door het noodlot een tweede
lichaam verschuldigd is (d.w.z. die tot een tweede leven verplicht zijn), drinken bij het water van de rivier de Lethe
715 het zorgen verdrijvende vocht en het lange vergeten.
Dezen/hen verlang ik allang aan jou persoonlijk te noemen en te laten zien,
dit nageslacht van de mijnen verlang ik op te sommen,
opdat jij je samen met mij des te meer verheugt nu jij Italië hebt gevonden.'
'O vader, moet ik [dan] geloven (moet er geloofd worden) dat sommige zielen hiervandaan naar de hemel
720 omhoog gaan en weer terugkeren naar/in trage
lichamen? Welk zo afgrijselijk verlangen naar het licht hebben de ongelukkigen (is er voor de ongelukkigen)?'
'Ik zal het je zeggen, zoon, en je niet in onzekerheid (onzeker) houden'
antwoordde Anchises en hij openbaarde achtereenvolgens elk ding afzonderlijk.

Reacties